Rutger Kopland – Tijd

2004.92_web

In deze corona-periode is het begrip ‘tijd’ actueler dan ooit. Een uitstekend moment om het gedicht ‘Tijd’ van Rutger Kopland, één van onze inspiratiebronnen, te berde te brengen.

Nochtans inspireerde het gedicht al eerder: zo speelde het vorig jaar nog een hoofdrol in de voorstelling ‘Flatline’ van theatergroep de Plaats, die zich afspeelde op Arnhem Centraal. ‘Flatline’ ging over mensen die zich tijdelijk losweken van de wereld én van de tijd. De personages in de voorstelling maakten op verschillende locaties op het station een overgang door van kloktijd naar innerlijke tijd, van tijd naar tijdloosheid.

Foto: B. Dekkers-van Uden

In de zomer van 2001 (het jaar waarin de bundel met dit gedicht erin verscheen) geeft Kopland (1934-2012) in NRC boeken desgevraagd een toelichting. Bijvoorbeeld over de keuze van de woorden ‘vreemd mooi’: “Het is vreemd dat je het gaat duizelen als je nadenkt over wat tijd is. Alsof het woord ‘tijd’ je een ruimte of een verte in laat kijken. Nadenken over de tijd geeft dat vreemd mooie, eindeloze gevoel.”

In de rest van het interview verklaart Kopland elke strofe nader en zo komt de lezer erachter dat hij weinig aan het toeval heeft overgelaten. Aan het einde plaatst Kopland bewust een komma tussen jij en ik, dit om te benadrukken dat ieder voor zich voorbij gaat, ieder alleen. Erg handig, een dergelijke uiteenzetting, het levert een extra laag en achtergrond op die helpt om het gedicht verder te doorgronden.

Lees hier het hele gedicht:

Tijd

Tijd – het is vreemd, het is vreemd mooi ook
nooit te zullen weten wat het is

en toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder
dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven

zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt
naar iets in zichzelf, iets ziet daar
wat het meekreeg

zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten
van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat
een verte voorbij onze ogen

het is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken
dat ooit niemand meer zal weten
dat we hebben geleefd

te bedenken hoe nu we leven, hoe hier
maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder
de echo’s van de onbekende diepten in ons hoofd

niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik
buiten onze gedachten is geen tijd

we stonden deze zomer op de rand van een dal
om ons heen alleen wind


Verschenen in Over het verlangen naar een sigaret, uitg. Van Oorschot, 2001

Bron:
Lees hier een interview met Rutger Kopland over zijn gedicht ‘Tijd’.

(Hoofdafbeelding: Charles Guilloux (1866-1946), ‘Valley of the Stangala, near Quimper’, 1896. Via The Cleveland Museum of Art, John L. Severance Fund 2004.92)

Het gedicht en een deel van dit blog verscheen eerder van onze hand op NUtblog.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.