Duistere nostalgie

Op een mooie nazomeravond namen mijn tante en ik afscheid van de warme dagen. Samen met andere dolende zielen maakten we een wandeling door het begraafpark dat deel uitmaakt van de vroegere Heilig Land Stichting, tegenwoordig Museumpark Orientalis. Projectkoor Nijmegen organiseerde deze Reis door de Nacht, waarbij we steeds verrast werden door optredens van zangers, muzikanten, een verteller en zelfs een echte trompetter bij de hemelpoort. Oude klanken stegen op uit het sprookjesbos. Gelukkig was de muziek niet al te dramatisch, de doden sliepen vredig verder. Bij het zwijgen van de muziek was het dan ook heel stil. Als ik nadenk over de betekenis van het begraafpark in deze tijd dan lijkt het mij vanzelfsprekend dat doden en levenden elkaar met rust laten.

Cultus van rouw

Maar toch miste ik de geesten die in de negentiende eeuw rondspookten op de begraafplaats. Philippe Ariès beschrijft met veel illustraties hoe onze verhouding tot de dood veranderde in de negentiende eeuw. Daarvoor heeft hij eeuwen aan grafzerken en andere gedenktekens onderzocht. Dat onderzoek laat zich moeilijk weerleggen maar over zijn conclusies is het laatste woord nog niet gezegd… Zeker is dat het plengen van bittere tranen om de overledene tot kunst werd verheven. Met de aanleg van begraafparken buiten de stad ontstond een hele cultus van rouw op en rond het graf. In de middeleeuwen ging het natuurlijk veel meer om zielenheil in het hiernamaals, de stoffelijke resten waren niet zo belangrijk. Vaak verdwenen de beenderen anoniem in het knekelhuis. Maar na 1800 ontwaart Philippe Ariès een hypertrofie van rouw, zoals hij het noemt. De dood van een kind – hoe alomtegenwoordig ook – werd voortaan verhuld in diepe droefenis. Antonín Dvořák was waarschijnlijk de eerste componist die zijn Stabat Mater inspireerde op het verdriet om zijn eigen overleden dochter. Nabestaanden trokken naar het graf om daar bij hun dierbaren te zijn.

Titelplaat uit ‘Frankenstein’ door Theodor von Holst (1831)

Het graf als toevluchtsoord

Mary Shelley bracht een groot deel van haar jeugd door op de begraafplaats waar haar moeder begraven lag. Die was aan kraamkoorts overleden, waardoor ze zonder moeder opgroeide. Sandra Gilbert beschrijft hoe het graf een toevluchtsoord werd en niet alleen voor verdriet. Mary Shelley las op het kerkhof de feministische werken van haar moeder en maakte er lange wandelingen met haar toekomstige echtgenoot, de romantische dichter Percy Bysshe Shelley. Naar verluidt was de begraafplaats net zo vertrouwd als het echtelijke bed en zonder enige wroeging over deze grafschennis verkende de schepper van Frankenstein hier leven, liefde en dood. Eigenlijk werd het monster van Frankenstein geboren uit een macabere anatomische les. In de woorden van haar belangrijkste personage, de medische student Victor Frankenstein: ‘To examine the causes of life, we must first have recourse to death.’

William-Adolphe Bouguereau, Le Jour des morts (1859)

Het juiste zwart

William Bouguereau was een academisch kunstenaar die door tijdgenoten erg bewonderd werd. Maar het sentiment dat hij zo kundig verbeeldde zou spoedig sneuvelen en de kunstenaar raakte uit de mode. Zijn schilderij Le Jour des morts (Allerzielen) heeft iets stichtelijks, alsof dit de expressie is die er van de nabestaanden en dan vooral van vrouwen, werd verwacht. Alsof het uiterlijk vertoon van de opera zich uitstrekte tot aan het graf. De kunstcriticus Théophile Gautier kon zich goed inleven in de larmoyante vertoning en wees en passant op de goede stofuitdrukking van al dit stemmig zwart. Voorschriften voor rouwkleding waren streng, voor de betere klasse ging het ook om verschillende zwarte stoffen die een weduwe al dan niet mocht dragen.

Dans L’Immense Tristesse

Lili Boulanger was de eerste vrouwelijke componist die de Prix de Rome won in 1913. Ze was voor mannen niet bedreigend. Ze oogde fragiel en dirigeerde haar eigen compositie in een eenvoudige witte jurk, de ogen neergeslagen. Maar haar kwetsbaarheid was niet gespeeld, ze leed aan een ernstige chronische ziekte en was zich altijd bewust van een naderende dood. Ze is dan ook niet oud geworden. Haar lied Dans L’Immense Tristesse uit 1916 vind ik erg ontroerend. Het sentiment neemt hier de gedaante aan van geesten in de nacht, van een moeder die ’s nachts het graf van haar overleden kind bezoekt. Maar het zou net zo goed andersom kunnen zijn, dat het kind nog leeft en van zijn moeder droomt. Leven en dood zijn hier moeilijk van elkaar te onderscheiden.

En nu in deze eeuw, verlost van overtolligheden? Zoveel zielen zoveel graven, de één verlangt naar een grafmonument, de ander naar een boom en weer een ander zou het liefst alle sporen uitwissen. Misschien is rouw onder de bomen van een herfstig begraafpark wel net zo lichthartig als een wandeling langs onbekende grafzerken, ook herinneringen worden verlost van overtollige bladeren. Maar wie verwacht dat gedeelde herinneringen, gedeelde tranen en gedeelde herfstbladeren een belofte in zich dragen voor het naderend voorjaar, komt vaak bedrogen uit.


Bronnen:
Philippe Ariès, ‘Het Beeld van de Dood’ (2003). Uitgeverij Sun.
Anna Beer, Sounds and Sweet Airs – ‘The Forgotten Women of Classical Music’ (2017). Oneworld Publications.

Mary Shelley’s Obsession with the Cemetery
William Bouguereau, Le Jour des morts
‘The Third Man’, Carol Reed (1949)

(Uitgelichte afbeelding: Begraaf- en gedenkpark Heilig Land Stichting, foto: Henk Braam)

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.